De schapen

De Kudde

Het Drentse heideschaap* (zie onder “het Drentse Heideschaap) behoort tot de oudste schapenrassen in Nederland.

Tot 1900 werden deze schapen als landbouwhuisdier gebruikt voor de mestproductie om de schrale, onvruchtbare gronden te bemesten. Overdag werden ze “gescheperd” (onder leiding van een herder of “scheper”) op de schrale uitgestrekte vlakten in Oost Nederland, vooral in Drenthe. Op die manier ontstonden de uitgestrekte heidevelden. Heide heeft ruimte en lucht nodig om zich staande te houden, en doordat de schapen de opslag van dennen en berkjes en het gras weg vraten, kreeg de heide die ruimte. Ze aten hun buik vol en aan het einde van de dag werden de schapen in de kooi of potstal gedreven, waar ze gingen liggen herkauwen. Als de herder ze de volgende morgen weer kwam halen, kwamen ze in de benen, poepten hun mest op de heideplaggen waar de stal mee gevuld was en op die manier ontstond na een jaar een metersdikke laag mest. Deze werd in het voorjaar op de akkers (gezamenlijke gronden) verdeeld. Dit droeg tevens bij aan de vorming van het essenlandschap. Van Natuurbeheer hadden ze in die tijd nog niet gehoord! Toen er kunstmest kwam, werden heideschapen praktisch overbodig. Heide en schrale grond werden ontgonnen voor landbouw en veeteelt. Bijna 90% van de Nederlandse heide verdween hierdoor. Een kleine veertig jaar geleden hebben een aantal mensen die het ras weer terug wilden fokken, de koppen bij elkaar gestoken en zijn begonnen met het terugfokken van dit oer-Hollands dier.
Hiermee werd dit cultureel erfgoed voor uitsterven behoed. Het ras is uitermate geschikt voor het begrazen van natuurgebieden; ze eten vrijwel alles, van els, distel, wilg, tot ridderzuring. Op die manier kan een kudde bijdragen tot het in stand houden van heideterreinen, maar ook aan het verschralen van grasland-vegetaties. Een kudde met herder(in) trekt altijd veel bekijks; vaak als ik aan het hoeden ben blijven wandelaars of fietsers staan voor een praatje of een plaatje.
Om een kudde te hoeden moet je kennis hebben van de natuur. Het is niet altijd makkelijk. Het vak is niet te leren uit een boekje, alhoewel er inmiddels wel (praktijk-) opleidingen voor zijn. Vooral praktijk ervaring opdoen, zien en beleven maken uiteindelijk dat je een kudde kunt hoeden en verzorgen.
Schaapherder wordt je vanuit je hart; het is een passie. Het terug fokken van de Drentjes heb ik dan ook vaak op mijn gevoel gedaan. Ik heb gekeken naar wat ik mooi vond en wat in mijn ogen past bij een oud type Drents heideschaap. Sterk beenwerk, mooie (water aflatende- ) vachten, diverse kleuren en niet te groot. Van de eerste zesentwintig eigen gefokte Drentjes die werden gekeurd, werden er gelijk twintig goedgekeurd voor in het stamboek. Dat was een kroon op mijn werk. Op dit moment bestaat de kudde uit een honderdtal mooie fok-ooien. Ook proberen we in het belang van de fokkerij jaarlijks een aantal jonge rammen aan te houden die de potentie als fokram hebben. Daarom bestaat de kudde altijd uit twee á drie koppels.

Sinds 2009 zijn wij erkend door de SZH als fokcentrum en hierop zijn we (sch)ape-trots!